Onze vrouw in Europa: Sandra van der Graaf

Ze coördineert het internationale werk voor de Kaderrichtlijn Marien. Ze is daarvoor jaarlijks een aantal keer in Brussel om in internationaal verband de strategie te bespreken. Daarnaast zorgt ze dat er mensen worden afgevaardigd naar de verschillende internationale KRM-werkgroepen. Een kennismaking met adviseur Sandra van der Graaf (38) van Rijkswaterstaat.

Sandra maakt op haar vrije dag wat tijd voor ons vrij. Haar jongste van bijna twee ligt tijdens het interview heerlijk te slapen, die van zes en zeven jaar zitten nog op school. Sandra promoveerde ruim tien jaar geleden als afgestudeerd ecoloog op de migratie van brandganzen. ‘Daar heb ik 4,5 jaar aan gewerkt’, vertelt ze niet zonder trots. ‘Ik volgde hiervoor de voorjaarstocht van de ganzen van hun overwintering in Noord-Europa (Waddeneilanden en Scandinavië) naar de broedgebieden in Rusland en keek hoe die tocht samenhing met de beschikbaarheid van voedsel. Na mijn promotieonderzoek ging ik bij het Groningse ecologische onderzoek- en adviesbureau Koeman en Bijkerk werken. En in 2009 kwam ik in dienst bij de Waterdienst van Rijkswaterstaat. Hier ben ik adviseur op het gebied van internationale zeeverdragen en nu dus de uitvoering en het internationale beleid van de Kaderrichtlijn Marien.’

Europese Commissie-besluit

Sandra coördineert het internationale werk voor de KRM, waar IHM (Informatiehuis Marien) voor een groot deel de nationale activiteiten, monitoring en het verzamelen en beschikbaar stellen van data, regelt. ‘Op dit moment staat de inhoud van het nieuwe Europese Commissie-besluit centraal over de toe te passen beoordelingscriteria en standaardmethoden. In de KRM staan acties die lidstaten moeten doen, zoals een beschrijving van de huidige milieutoestand en de na te streven goede toestand van het mariene milieu. Ook het bepalen van doelen op weg daarnaar toe staan erin. In 2010 heeft de Europese Commissie in haar eerste commissiebesluit elementen benoemd om de milieutoestand van de zee te kunnen bepalen. In 2012 zijn de eerste stappen gezet en in 2014 is de monitoring begonnen.’

Volgende ronde

‘Voor 2018 staat de volgende ronde gepland. Nu blijkt in de praktijk dat beoordelingen niet goed te vergelijken zijn, omdat landen verschillende methoden gebruiken. Hierdoor ontstaat er ruimte voor verschillende interpretaties. Om dat voor de volgende ronde te voorkomen, heeft de commissie een aantal standaard beoordelingscriteria en methoden voorgesteld. Veel landen zijn wel blij met de nieuwe duidelijke regels. Een paar landen hebben nog wat juridische vragen en willen weten of de commissie wel op dit detailniveau voorschriften mag maken. Voor Nederland kijk ik nu samen met het IHM-team naar de haalbaarheid van de nieuwe meetvoorschriften. Op dit moment onderzoeken we of die voorschriften al zo kunnen monitoren en zo niet of we dat kunnen doen en wat dat dan extra gaat kosten. Daarna maken we een plan van aanpak.’

Sandra van der Graaf